Alexander Pechersky, voormalig officier van het Rode Leger en een van de leiders van de opstand in Sobibor, wordt postuum geëerd met een Orde van Moed. Dit is bekendgemaakt bij een kranslegging in Sobibor op Holocaust Memorial Day 27 januari jl. Voor het toekennen van een eerbetoon aan Pechersky is lang gelobbyd. De Stichting Sobibor is verheugd over deze officiële erkenning.
Op 30 oktober 2015 heeft de Stichting Sobibor een brief gezonden aan staatssecretaris Martin van Rijn, om hun zorgen rond de conservering en de impasse in de herinrichtingsplannen van voormalig vernietigingskamp Sobibor te uiten. Deze brief heeft ertoe geleid dat Stichting Sobibor op 15 jan aanstaande een afspraak heeft met de staatssecretaris.
Naar aanleiding van deze brief heeft Nieuwsuur op 28 november 2015 onze zorgen nog eens extra aandacht gegeven in hun uitzending.
Enkele leden van onze achterban hebben naar aanleiding van de Nieuwsuur uitzending een open brief gestuurd die op 22 december in de Volkskrant is geplaatst. Zij delen de zorgen van de stichting dat er ruimte moet zijn voor individueel gedenken en educatie. Hun zorgen betreffen vooral dat er ruimte moet zijn voor individuele herdenking en educatie enerzijds en dat de restanten van het perron verdwijnen onder een parkeerplaats anderzijds.
In zijn huis in Santa Barbara, Californië, VS, is op zaterdagmorgen 31 oktober jl., 6 uur plaatselijke tijd, Thomas (Toivi) Blatt overleden.
Thomas Blatt werd geboren als Tomasz Blatt in Izbicka, Polen, op 15 april 1927 in Polen en was 16 jaar oud toen hij de opstand in Sobibor overleefde en ontsnapte.
Hij kwam samen met zijn familie en 400 andere Joden uit Izbicka op 28 april 1943 in Sobibor terecht.Alle familieleden van Thomas werden vermoord, Thomas werd als een van de weinigen van het transport geselecteerd om in Sobibor te werken. Tijdens de opstand van 14 oktober 1943 lukte het hem om te ontsnappen.
In 1958 emigreerde Blatt naar Israël en later ging hij naar de Verenigde Staten. In de jaren 70 en 80 werkte hij samen met de Amerikaanse auteur Richard Rashke en interviewde overlevenden van Sobibor. Zo schreef hij het boek Sobibor, the Forgotten Revolt.
Moge zijn nagedachtenis tot zegen zijn.
De Joodse Marion van Straten zat tijdens de Tweede Wereldoorlog ondergedoken in Naaldwijk. Na de bevrijding blijken Marions ouders niet terug te komen: zij zijn beide in Sobibor vermoord.De zangeres vertelt haar indrukwekkende verhaal onder muzikale begeleiding van een pianist in het museum van Kamp Westerbork. Marion zal tevens zelfgeschreven nummers ten gehore brengen.
Marion Schoenmaker-Van Straten is in 1942 geboren in Amsterdam. Vanwege de toenemende dreiging besluiten haar Joodse ouders hun dochter te laten onderduiken. In het voorjaar van 1943 wordt de kleine Marion opgehaald door de 18-jarige Rietje Tukker, die haar meeneemt naar Gorinchem.
Na verraad is het onderduikadres bij de familie Tukker niet meer veilig. Via verschillende schuilplaatsen komt Marion terecht bij het echtpaar Van ’t Riet in Naaldwijk, dat zeer actief is in het verzet. Dit kinderloze stel had al aan veel Joden onderdak verleend, en ook deze baby is van harte welkom. Na de bevrijding blijken Marions ouders niet terug te komen: zij zijn beide in Sobibor vermoord.
De lange schaduw van Sobibor begint zondag 11 oktober om 14.00 uur. De kosten bedragen € 16,00 (€ 7,50 voor vrienden van Herinneringscentrum Westerbork) inclusief toegang tot het museum. Reserveren via info@kampwesterbork.nl of 0593 – 592600.
Dit verslag verscheen in Trouw op 4 mei 2015. Met vriendelijke toestemming van Noor Hellman, journalist Trouw.
De pekinees met zijn fijn gepenseelde vacht en parmantig gekrulde staart staat sinds kort op de secretaire van mijn ouders. Ruim zeventig jaar geleden figuurzaagde mijn grootvader Bernhard het hondje voor zijn buurjongen Leo die vijf jaar ouder was dan zijn eigen zoon Paul, mijn vader. Toen mijn vader en de buurjongen van weleer elkaar een paar jaar geleden voor het eerst sinds hun jeugd terugzagen liet Leo hem het hondje zien en beloofde: ‘Zolang ik leef houd ik hem maar, daarna is hij voor jou’. Nu Sousah, zoals hij heet, onlangs in ons bezit is gekomen oogt zijn aanblik op de bureaukast vertrouwd alsof hij er altijd is geweest. Het met uiterste precisie vervaardigde en beschilderde houtsnijwerk doet denken aan Bernhards amfibieën, insecten en planten die de lamp sierden in mijn kinderkamer en later in die van onze kinderen. De dierenfiguren en bloemen behoren, net als de pekinees, tot de weinige tastbare herinneringen aan een grootvader die ik nooit heb gekend, omdat hij 21 jaar voor mijn geboorte stierf. Zijn leven eindigde abrupt op 2 april 1943, in Sobibor. Hij was 39 jaar.
Zijn verhaal kende ik. Bernhard Wolfgang Hellmann, oudste zoon van geassimileerde Joodse ouders die in de eerste decennia van de vorige eeuw deel uitmaakten van de economische en culturele elite van Wenen, kwam begin jaren dertig naar Nederland om werkervaring op te doen bij een Rotterdamse im- en exportfirma van textiel. Als hij zich bij deze relatie van zijn vader voldoende in het vak had bekwaamd zou hij, zo was het idee, terugkeren naar Oostenrijk om de textielfabriek van zijn vader over te nemen. Daarmee begon hij aan een carrière die zijn ouders voor hem hadden uitgedacht en liet hij zijn eigen wens om bioloog te worden varen. In Nederland trouwde hij met een Nederlands-Joodse vrouw waarna, in 1935, Paul werd geboren. Het gezin woonde in Rotterdam totdat in 1942 ieder van hen op een ander adres moesten onderduiken. Bernhard verschool zich enige tijd bij een boer in Ede waar hij echter na een anonieme tip in maart 1943 werd opgepakt. Na nog geen week in Westerbork ging hij op 30 maart als Häftling mee op het vijfde transport naar Sobibor samen met 1251 anderen, zoals valt op te maken uit de betreffende transportlijst in het standaardwerk ‘Vernietigingskamp Sobibor’ van Jules Schelvis. Daar, in een oostelijke uithoek van Polen, is hij na aankomst op 2 april vergast.
Lang stond Schelvis’ ‘Vernietigingskamp Sobibor’ ongelezen in mijn kast. Mij ontbrak de moed me te verdiepen in de details van de verschrikkingen die daar hadden plaatsgevonden. Pas toen mijn vader een van de medeaanklagers was in het proces tegen Iwan Demjanjuk, de voormalige Oekraïense kampbewaker die van november 2009 tot mei 2011 in München terechtstond voor medeplichtigheid aan de moord op 28.000 Joden in Sobibor, kwam ik ertoe het boek te gaan lezen. Ik begon me met groeiende zekerheid te realiseren dat ik het kamp – of wat daarvan rest – wilde bezoeken en de steen wilde zien die mijn ouders daar in de Gedenklaan voor Bernhard hadden laten plaatsen.
Dit jaar kreeg het voornemen vaste contouren. We besloten samen te gaan, mijn ouders, broer en ik, en ons aan te sluiten bij een jaarlijks door Stichting Sobibor georganiseerde herdenkingsreis naar Sobibor. Een ongewone ervaring in alle opzichten, dat stond bij voorbaat vast. Het was een eeuwigheid geleden dat we voor het laatst als gezin op reis waren geweest en nooit eerder had ik me aangesloten bij een groepsreis. Hoe zou dat zijn? Het leek me niets voor mij. De huiver bleek onterecht. Alle deelnemers, variërend in leeftijd van 22 tot 82 jaar, ondernamen de reis om stil te staan bij het verlies van soms vele tientallen familieleden en niet-familieleden, van dierbaren en verwanten. Dat gemeenschappelijke doel zorgde al in de bus die ons op het vliegveld van Warschau opwachtte en ons vier dagen zou rondrijden, voor een gevoel van verwantschap. Onderweg en tijdens de maaltijden luisterden we naar elkaars verhalen. Verhalen vol pijn en verdriet, maar gelachen werd er ook.
Tweemaal hebben we Sobibor bezocht. De eerste keer om met elkaar te herdenken; de tweede dag werden we, in het kader van Holocaust Memorial Day die in Polen de dag ervoor plaatsvond, vergezeld door middelbare scholieren uit Lublin. Tweemaal reed onze chauffeur in voorzichtig tempo over een doodstille eenbaansweg door een dun bevolkt, moerasachtig bosgebied waar naald- en loofbomen in het water staan. We passeerden kerkhoven vol spookachtige witte schimmen: percelen met enkel stakerige stammen van dode berken. Naarmate we het kamp dichter naderden verstomden onze gesprekken. Onder een kille bewolkte hemel waaruit af en toe regen viel stapten we de eerste dag uit. We waren de enige bezoekers.
Met een gevoel alsof mijn adem werd afgesneden herkende ik waarover ik al vaak had gelezen of wat ik als televisiebeelden had gezien. De spoorrails die in de verte tussen de bomen verdwijnt, de Rampe, verweerd en met gras tussen de betonplaten, het bord Sobibor. De voormalige kampcommandantwoning staat er zeventig jaar na de oorlog vriendelijk groen geschilderd bij. Dan een onthutsende constatering: het huis is bewoond. Een man werkte in de tuin, een schommel zwiepte zachtjes in de wind. Ook de huizen ernaast en aan de overkant van het spoor – wat is er eigenlijk veel bebouwing! – zijn bewoond. Hoe kan dat? Wie kiest voor deze plek met zo’n belast verleden? Volgens Maarten Eddes, onze reisleider en voorzitter van Stichting Sobibor, zijn de bewoners van de oude commandantwoning betrokken mensen die met zorg het terrein onderhouden.
De fundamenten van de acht gaskamers in Lager 3, die vorig jaar bij archeologische opgravingen zijn blootgelegd, bleken tijdelijk met landbouwplastic afgedekt om ze te beschermen tegen weersinvloeden. Binnenkort zullen er glasplaten overheen komen. Het grote bronzen beeld dat er vlak naast stond is weggehaald, de enigszins afgebrokkelde sokkel nog niet. Ook de rechthoekige schoorsteen die later als symbool van de verbrandingsovens is neergezet, staat er nog maar zal worden afgebroken. Aan de andere kant van het open veld ligt de monumentale asheuvel die met kiezelstenen is bedekt. Hier verzamelden we ons voor de herdenking. Het kaddisjgebed werd uitgesproken; wie daartoe de behoefte voelde stapte naar voren om de namen van verloren familieleden te noemen en we luisterden met betraande ogen naar een eerder opgenomen Fins lied over een verdwaald eendje, gezongen door ontroerend ijle meisjesstemmen. Tijdens de twee minuten stilte ademde de omgeving een vredige rust. Vogels kwinkeleerden, de dennen ruisten. Een schuldig landschap dat zich van geen kwaad bewust was. Dat hier ooit in anderhalf jaar tijd ongeveer 170.000 mensen – onder wie één derde van de uit Nederland gedeporteerde Joden – op zo’n gruwelijke manier de dood zijn ingejaagd was letterlijk onvoorstelbaar.
Na afloop wandelden we terug over de Gedenklaan. Daar, onder de takken van jonge aanplant, liggen inmiddels zo’n 250 stenen, voorzien van naamplaatjes en vaak een persoonlijke tekst. We keken en lazen, wezen elkaar op namen die we kenden en zochten de steen van onze dierbaren om er een kaars bij te branden. Bijna aan het begin van de laan vonden we Bernhards steen. Er zat wat groene aanslag op het naambordje; met een zakdoekje poetsten we het zo goed mogelijk schoon en legden enkele kiezelsteentjes neer. Staande bij de steen dacht ik aan mijn onbekende grootvader – een zachtaardige en tamelijk verlegen man volgens de verhalen – en als zo vaak vroeg ik me af of we het samen goed hadden kunnen vinden. Zijn met zichtbare toewijding gemaakte dierenfiguren zijn er nog – ze hebben niets van hun oorspronkelijke glans verloren. De creatieve handigheid van Bernhard missen wij een beetje, maar op subtiele wijze lijkt zijn tekentalent te zijn overgedragen op mijn jongste dochter. Zijn achterkleindochter, die op een dag met haar broer en zus misschien ook eens de reis zal maken naar zijn graf dat geen graf is.
MIJN BEDEVAART NAAR SOBIBOR (18 april – 21 april 2015)
Zaterdag 18 april 2015
Vanmorgen om 19.45 vertrokken naar Schiphol. Ik zag al wat mensen van de groep; het douane-gebeuren ging heel snel. Mijn mitella heeft voordelen. Ik hoefde niets in bakjes te leggen en geen jas/riem of schoenen uit te trekken. Read More
Esther Raab-Terner was één van de 300 gevangenen die op 14 oktober 1943 ontsnapten uit het Vernietigingskamp Sobibor.
Esther verbleef lang in Sobibor, daardoor werd haar kennis van dit kamp verschillende keren gebruikt. Zo was ze jaren later consultant voor de filmset in Belgrado voor de film “Escape From Sobibor”, de drie uur durende Tv-film die op CBS werd uitgezonden in 1987.
En er werd een toneelstuk over haar leven gemaakt, “Dear Esther”. Dit stuk werd in 1998 in het U.S. Holocaust Memorial Museum in Washington opgevoerd, en het wordt nu nog steeds vertoond voor studenten rond Philadelphia.
Mevrouw Raab reisde regelmatig naar de rechtszittingen in Duitsland tegen de bewakers van het vernietigingskamp Sobibor, meldde haar zoon Abe.
Op maandag 13 april jl. overleed Esther Raab die haar leven wijdde aan het vertellen van haar ervaringen gedurende de Shoah in haar huis in Vineland, New Jersey.
“Ze was een waardige, moedige, bescheiden en wijze vrouw”, zegt haar rabbijn, Yisroel Rapoport van de Sons of Jacob Congregation in Vineland. “Ze was een vriend, een leraar die haar beloften nakwam en de wereld vertelde over de verschrikkingen gedurende de volkerenmoord tijdens de Shoah”.
Esther werd geboren in Chelm, Polen, en ze was 21 toen ze uit Sobibor ontsnapte. Dat was bijna twee jaar nadat ze in dit kamp terecht kwam op 22 december 1942. Ze overleefde omdat ze een naaister was, waardevol voor de Duitsers die het kamp leidden.
Sobibor was operationeel tussen mei 1942 en de herfst van 1943 en er werden minstens 170.000 mensen vermoord voor het kamp sloot in 1944.
300 van de 600 gevangen die op 14 oktober 1943 nog aanwezig waren in het kamp ontsnapten, er werden er 100 na hun ontsnapping opgepakt.
In 1992 werd Esther Raab geïnterviewd door de onderzoekers van het Holocaust Museum te Washington.
“De ontsnapping”, herinnert ze zich, “gebeurde toen de commandant weg was”. “Op die dag”, zei ze, “had ze twee truien aangedaan en voor het eerst laarzen en ze deed ook nog een jas aan. Je nam geen bagage mee, want je wist niet waarheen je ging en of je het zou halen”.
Sommige van haar medegevangenen voerden de plannen uit die daarvoor gemaakt waren en staken bewakers neer. “Maar ”, zegt ze, “veel mensen waren in paniek. Veel mensen wilden niet weg, ze gaven het op, en degenen die het wel probeerden renden alle kanten op”. Ze zag hoe mensen een ladder tegen het prikkeldraad zetten en erachter het mijnenveld inliepen. “Ik ging die ladder ook op, toen ik boven was zag ik al veel dode lichamen bij de mijnen liggen”, zegt ze, waarbij ze doelt op de ontsnapten die de mijnenvelden niet overleefd hadden.
Toen ze over het hek viel was ze licht gewond door een schot die een bewaker op haar had gelost, ze landde op de lichamen in het mijnenveld.
“Ik wilde zo graag leven. Je kan je dat niet voorstellen, ik begrijp zelfs niet dat ik toen over de dode lichamen kon springen terwijl ik door het mijnenveld rende”. Al snel was ze in het bos, en vrij.
In een interview in the Inquirer in 1987 zei mevrouw Raab dat ze zich toen negen maanden lang verstopte onder een schuur die het eigendom was van een vriend van haar vader, in een ruimte die onder het dicht open gepakte stro was gemaakt.
“Ze kende Irving Raab in haar geboortestad Chelm”, zegt haar zoon Abe. “Irving was al vroeg in de oorlog naar Rusland gevlucht en kwam terug toen de Russen naar het westen oprukten, en zag Esther weer toen hij in Chelm terug kwam”.
Ze trouwden in Berlijn in 1946 en emigreerden naar de Verenigde Staten in 1950. Esther werd hoofd personeelszaken bij de Vineland Kosher Poultry Co., die door haar man werd opgezet in 1968.
Naast haar zoon Abe en haar man wordt Esther Raab-Terner betreurd door haar zoon Marvin; acht kleinkinderen en vijf achterkleinkinderen.
Meer lezen?
http://www.longshadowofsobibor.com/nl/interview/esther-raab
http://www.sobiborinterviews.nl/en/interviewees/2-profielen/18-esther-raab
De herdenking rond de bevrijding van Kamp Westerbork, op zondag 12 april 2015, was een mooie, waardige en aangrijpende bijeenkomst.
De bijeenkomst werd begonnen met een stille tocht. De deelname daaraan was veel groter dan de 800 deelnemers waarvan de organisatie had gedacht dat aanwezig zou zijn.
De eerste spreker was Eva Weyl, een overlevende van dit kamp. Haar overdenking was aangrijpend, een verhaal over het kamp en een verhaal over de hoop. “De wagons hebben geen hoofdrol meer, maar staan op een zijspoor” sprak ze staande voor de wagons, die het decor van de herdenking vormden.
Daarna volgde Elisabeth Oets, die een stuk uit het dagboek “In Depot” van haar grootvader Philip Mechanicus vertelde én het lied “Und der Regen rinnt” zong. Dat lied werd geschreven door Ilse Weber, die in 1944 in Auschwitz vermoord werd.
Helene Petter – Egger (foto) vertelde over haar broers Julius en Daniël Egger. Zij stuurden een laatste kaart uit Westerbork op 25 juli 1942. Helene vertelde over deze kaart, en over haar familie. Haar broers vertelden op de kaart dat ze gingen vertrekken en dachten dat ze snel terug zouden komen.
Lous Hoepelman vertelde over haar vader, die op 12 december 1942 een kaart uit de trein naar Auschwitz gooide. Hij werd bij aankomst in Auschwitz vermoord.
De kleinzoon van Ed van Thijn las briefjes voor, zie zijn opa in Westerbork schreef.
Rob Gurowitsch vertelde over zijn vader Nicolas, die in Westerbork terecht kwam nadat hij verraden was als onderduiker.
Het Kaddisj en Jizkor werd uitgesproken door rabbijn Ies Vorst, die daarnaast vertelde over zijn moeder Helene Vorst – van Gelder. De rabbijn liet na de stilte na het gebed de sjofar klinken over het kampterrein.
Dirk Mulder, directeur van Westerbork, vertelde toen over het nieuwe monument: “De gesproken namen”, dat daarna onthuld werd. De bijeenkomst eindigde met een bloemlegging bij dit nieuwe monument.
Op 18 december jl. ontvingen Jetje Manheim, oud-voorzitter van de Stichting Sobibor, en Doede Sijtsma van de Provincie Gelderland het Ridderkruis van Verdienste van de Republiek Polen.
Deze hoge Poolse onderscheiding kregen zij vanwege hun enorme inzet voor het in herinnering houden van vernietigingskamp Sobibor en de vele slachtoffers. Na de introductie van de Poolse ambassadeur Jan Borkowski reikte de minister van Cultuur, Piotr Zuchowski, de onderscheidingen uit. De receptie in de ambassade van Polen in Den Haag was zeer geanimeerd. De aanwezigheid van Jules Schelvis was hartverwarmend. Dat gold evenzeer voor de aanwezigheid van familieleden van Jetje en Doede en vele bij het werk van de Stichting Sobibor betrokkenen.
Reisverslag van de studiereis van 17 t/m 25 oktober door deelnemer Koen Smilde, researchmasterstudent geschiedenis aan de UVA.
Doordat de machinisten van Deutsche Bahn het gehele weekend staakten, vertrok de negenkoppige Nederlandse groep niet op vrijdag per trein, maar een dag later met een vlucht vanuit Eindhoven naar Polen. Dit was jammer, want door met de trein te reizen wordt geografische afstand pas echt voelbaar. Maar ook tijdens onze bijna drie uur durende reis vanaf de Warschause Chopin-luchthaven naar het stadje Lublin, waar we overnachtten in een voormalig klooster, gaf een goede indruk van de uitgestrektheid van het Poolse land. De wagonladingen met mensen die vanuit West-Europa naar de vernietigingskampen in het oosten van Polen werden gedeporteerd deden er zelfs meerdere dagen over om op de plek van bestemming aan te komen.
De zondag begon met een introductieronde, waarbij we de deelnemers van de Duitse stichting Bildungwerk Stanislaw Hantz en de Poolse organisatie Studnia Pamieci (Bron van herinnering) leerden kennen. Een waarlijk internationaal gezelschap, waarbij het leeftijdsverschil tussen de jongste en de oudste deelnemer een halve eeuw bedroeg. Qua achtergrond van de deelnemers was de groep minstens zo divers: meerdere deelnemers hielden zich beroeps- of studiematig bezig met de Holocaust, terwijl anderen uit persoonlijke interesse deelnamen. Al op de eerste dag ontstonden uitvoerige contacten tussen de Nederlanders, Duisters en Polen en werd één groep gesmeed, die gedurende week steeds hechter zou worden.
Na een lezing van dr. Anna Zawadzka, een sociologe uit Warschau, over het Joodse leven in Polen tijdens het interbellum, wachtte ons een rondgang door het voormalig Getto van Lublin. Uit de lezing van Anna was al gebleken dat sommige inwoners van Polen een gecompliceerde verhouding met de Joodse geschiedenis in hun land hebben en dit werd op vervelende wijze onderstreept door een voorbijganger die onze groep toeriep, dat ‘de Joodse Raad zelf de lijsten met namen van Joden aan de Gestapo gegeven had’. Een opmerking die een nare bijsmaak achterliet en gelukkig in schril contrast staat met de inspanningen van een organisatie als Studnia Pamieci, die zich onder meer richt op het in stand houden van de herinnering aan de geschiedenis en cultuur van de Joden in Lublin.
Een paar dagen later hadden we in Siedlce opnieuw een ontmoeting met een passant. Op wat nu een kleine parkeerplaats is, werden in de jaren veertig meer dan 10.000 Joden bijeengedreven in afwachting van hun deportatie. Terwijl de gidsen hierover vertelden, vertraagde een langslopende oude man zijn pas en probeerde aandachtig het verhaal te volgen. Na enig tijd leek hij te willen vertrekken, maar besloot toch de gids aan te spreken en gaf aan dat hij iets wilde zeggen. Vervolgens gaf hij met behulp van een tolk een ooggetuigenverslag van hoe hij als kind van dichtbij had meegemaakt hoe de Joden hier onder erbarmelijke omstandigheden werden vastgehouden. Ondanks de taalbarrière was uit zijn gezucht en de stiltes die hij liet vallen op te maken dat, zeventig jaar later, de gebeurtenissen hem nog altijd aangrepen.
Omdat op veel historische plekken nauwelijks nog zichtbaar is wat zich er ruim zeventig jaar geleden afspeelde, werden de voordrachten op locatie ondersteund door het tonen van foto’s, wat de informatie enorm verlevendigde. Gedurende deze lezingen werden zowel slachtoffer- als daderperspectieven belicht en duidelijk werd dat ook deze laatste categorie – zoals ieder mens – vol tegenstrijdigheden zat. Zo wordt van Odilo Globocnik, de organisator van Aktion Reinhard, vaak de uitspraak geciteerd dat hij meende dat de namen van degenen die deze moeilijk taak [het vermoorden van de Joden] uitvoerden in bronzen platen vereeuwigd moesten worden. Minder bekend is de overlevering dat hij bekende zijn kleine dochter niet meer in de ogen te durven kijken wanneer hij terugdacht aan de kinderen in het Ghetto van Warschau. Duidelijk wordt hierdoor dat men niet met duivelse monsters van doen had, maar met mensen die wel degelijk wisten dat ze een morele grens overschreden bij het plegen van hun verschrikkelijke misdaden.
Op de tweede dag van de reis stond een bezoek aan het plaatsje Izbica op het programma. Dit is behalve een voormalig Durchgangsghetto de geboorteplaats van Philip Bialowitz, Sobiboroverlevende die enige weken terug in Den Haag zijn verhaal vertelde. Ook een andere overlevende van Sobibor, Thomas ‘Toivi’ Blatt, werd hier geboren. Bij de plaats van zijn geboortehuis – inmiddels verdwenen – hielden we halt en hoorden hoe hij, toen hij na de oorlog terugkeerde, nog altijd niet veilig was omdat zijn vroegere dorpsgenoten hem naar het leven stonden. Daarnaast werd in zijn huis ingebroken, waarbij alles overhoop gehaald werd omdat men vermoedde dat Toivi geld uit zijn woning kwam halen, dat hij voor de oorlog verborgen had. Ternauwernood wist hij zijn geboortedorp te ontvluchten en in de jaren vijftig emigreerde hij naar de Verenigde Staten.
Tevens bezochten we de Maria Konopnickaschool in Izbica. Met deze school bestaat al langer een samenwerkingsverband om de herinnering aan de vermoorde Joden uit het plaatsje levend te houden. Jaarlijks wordt er een wedstrijd georganiseerd, waarbij te winnen is in de categorieën literatuur, geschiedenis en (beeldende) kunst.Sinds dit jaar draagt de prijs de naam van de te vroeg overleden Robert Kuwalek, die zich altijd met veel passie voor deze studiereis en het herdenken en onderzoeken van de Holocaust in het algemeen heeft ingezet. De schoolkinderen zouden we de volgende dag weer ontmoeten.
Belzec, het eerste vernietigingskamp dat we aandeden gedurende de reis, werd nadat de nazi’s het kamp ‘liquideerden’ met de grond gelijk gemaakt en bomen werden geplant om sporen uit te wissen. Pas in 2004 is het huidige monument onthuld, dat vaag aan een abstracte versie van het kamp doet denken. Rondom een maanachtig landschap, waar zich 33 massagraven bevinden, zijn alle plaatsnamen waarvan Joden naar het kamp gedeporteerd zijn chronologisch aangebracht. Deze haast eindeloze sliert aan namen bracht door zijn repetitieve karakter het gevoel van de onophoudelijke stroom aan treinwagons volgepropt met mensen duidelijk over. Bij de naam Izbica werd samen met de leerlingen van de Maria Kopenickaschool herdenkingsceremonie gehouden, waarbij viool gespeeld werd en kaarsen werden ontstoken.
Vergeleken met het enorme monument in Belzec, dat fysiek imponeerde, deed het terrein van Treblinka, waarvan de contouren slechts met uit elkaar geplaatste rotsblokken gemarkeerd zijn, sober aan. Ook de aanwezigheid van de massagraven was hier veel minder overweldigend. Anders was dit in het voormalige kamp Majdanek, dat we op de koudste en natste dag van de week aandeden. Hier zijn nog vele houten barakken en zelfs gaskamers en verbrandingsovens te zien. Hierdoor werd de geschiedenis van het kamp enerzijds tastbaarder, maar tegelijkertijd deed het ook wat artificieel aan door de wetenschap dat de barakken merendeels gereconstrueerd zijn.
Het meest indrukwekkend was echter ons bezoek aan Sobibor. Hier worden op dit moment archeologische opgravingen uitgevoerd. Een deel van het terrein bestaat uit gaten in de grond, waaruit onder meer Nederlandse centen, prikkeldraad en een ouderwets kogelflesje opgedolven zijn. Ook is het precieze verloop van de Himmelfahrtstrasse, de weg die de mensen van aankomstperron naar gaskamer aflegden, gelokaliseerd. Eén van de architecten was bereid ons rond te leiden en gaf ons uitleg over de onlangs blootgelegde fundamenten van de gaskamers. Behalve historisch interessant was het ook op emotioneel vlak een indrukwekkende dag. Bij de asheuvel vond een herdenkingsritueel plaats waarbij dekaddisj, een Joods gebed, werd opgezegden meerdere deelnemers van de reis de namen van hun vermoorde familieleden als eerbetoon oplazen.
Bijzonder interessant was het om meerdere kampen te bezoeken waardoor zowel verschillen als overeenkomsten zichtbaar werden. De gedenkoorden worden op uiteenlopende manieren aan de bezoeker gepresenteerd. Deels is dit het gevolg van concrete omstandigheden: Majdanek werd bevrijd door het Rode Leger, terwijl Belzec met de grond gelijk gemaakt werd door de nazimisdadigers. Ook de tijd waarin het monument gebouwd werd speelt hier mee. Ten tijde van het Warschaupact, toen het monument in Treblinka geplaatst werd, bestond er een totaal andere bouwstijl en een ander narratief over de slachtoffers dan ten tijde van de constructie van het huidige Belzecmonument.
Majdanek bevond zich praktisch in een woonwijk, net buiten Lublin. Het kamp Belzec lag op zo’n 500 meter afstand van een spoorlijn en was zichtbaar voor passerende reizigers. Hoewel Treblinka verder van de bewoonde wereld verwijderd lag, werd pal naast het kamp een stuk landbouwgrond door lokale boeren bewerkt. Eén van hen deed zijn verhaal in Claude Lanzmanns befaamde Shoah. De grote uitzondering vormt Sobibor, dat diep in de bossen nabij de (huidige) Wit-Russische grens gelegen was. De hier gepleegde massamoord werd in het diepste geheim uitgevoerd en angstvallig verborgen gehouden, wat een reden is voor zijn relatieve onbekendheid. Het werk van Stichting Sobibor om de herinnering aan het vernietigingskamp levend te houden is daarom van onschatbare waarde.
Te zien dat de gepleegde misdaden vaak in de (semi)openbaarheid gepleegd werden – om nog te zwijgen van de zichtbaarheid van de deportaties uit alle Europese landen – deed onvermijdelijk de vraag opkomen: hoe had ik gehandeld? In de avonduren is hier veelvuldig over gediscussieerd tijdens borrels in de cafés van Lublin. Eén waardevolle conclusie luidde, dat het moed vereist om de eerste te zijn die niet langer zwijgt en protesteert en dat het daarom zo belangrijk is hier niet alleen op te reflecteren, maar er vooral in het dagelijks leven mee te oefenen bij het kleine onrecht dat ons niet zint.
Voor dit verslag is dankbaar gebruik gemaakt van de website van Bildungswerk Stanislaw Hantz.
Koen Smilde is researchmasterstudent geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam en doet onderzoek naar totalitaire ideologieën in het interbellum.